de Gavergids 2002 nr. 2

BEZIENSWAARDIGHEDEN

het Goed te Nieuwenhove

bezoek aan de grote kasteelhoeve in het centrum van de Waregemse parochie Nieuwenhove, met een opvallend poortgebouw, unieke duiventoren en 18de eeuwse vakwerkschuur

De omwalling en het poortgebouw

omwalling

Het complex lag oorspronkelijk binnen een grote omwalling, waarvan nu nog gedeelten bestaan. Het kasteel (thans alleen grondvesten) had binnen die grote omwalling nog eens een eigen gracht.

De herenhoeve zelf bestond uit een woonhuis, een schuur en stallingen, een duiventoren en een poortgebouw. Al deze gebouwen waren gedeeltelijk in baksteen, gedeeltelijk in vakwerk opgetrokken en voorzien van strodaken.

De omwalling ontstond in de context van de raids van de Noormannen tijdens de 9de (zgn. 'ijzeren' eeuw), meestal in combinatie met een houten palissade. Hoe groter de grachten, hoe groter het prestige van de eigenaar.

Vanaf de late Middeleeuwen verloren ze hun militair karakter. In Nieuwenhove onderstrepen ze dus alleen maar het maatschappelijk prestige van de heer.

De wallen hadden verschillende (voornamelijk economische) nevenfuncties:

  • kweekvijver voor vis
  • 'kwekerij' voor riet (dakbedekking)
  • riool die zichzelf zuiverde (ecosysteem)
  • afsluiting voor kleinvee (eventueel ook voor kalveren)

toegangsweg en brug

De toegang tot het domein loopt over een stenen toegangsbrug, in tegenstelling tot de vroegere houten ophaalbruggen. De toegangsweg was langs beide zijden geflankeerd door 4 beuken (2 x 4 = 8) en is gekasseid met bruinbeige 'kinderkopkes' (volkse naam voor kasseistenen van Quenast). De brug over de wal rust op een tongewelf in baksteenmetselwerk. De brug is op de bovenzijde voorzien van twee gemetselde muurtjes (recent, 20ste eeuw) die dienst doen als borstwering.

poortgebouw

Het poortgebouw dateert uit de 18de eeuw en had oorspronkelijk twee houten deurvleugels. De toegangspoort is gebouwd in Franse zandsteen (gerestaureerd in 1995) en omvat:

  • een klein pannendak op eiken dwarsbalken
  • smeedijzeren muurankers
  • zware steunberen aan de grachtzijden
  • een inrijpoort
  • metselaarstekens (zeldzaam voor deze streek!)
  • het wapenschild van de heren van Nieuwenhove

Het aanbouwsel achter de poortmuur is laat 19de­eeuws. Het deed dienst als koetshuis en/of slaapkamer voor het 'los' personeel. Paardengeleiders ('boevers') sliepen in de paardenstallen.

Metselaarstekens waren zwartgeblakerde stenen uit de veldovens. Deze 'misbaksels' werden door de metselaars gebruikt om structuren te maken (eventueel als 'handtekening' - cfr. bakkers­stempels van weleer).

Het woonhuis

Het woonhuis werd gebouwd omstreeks 1757. In een rekeningenboek uit die tijd lezen we: "de leveringhe van al het yserwerck in het nieuw huys op het nederhof". Het Waregems Landboek (1758) geeft het woonhuis weer op de plaats waar het zich nu nog steeds bevindt. Ten zuiden ervan stonden in de 18de eeuw nog drie gebouwen, die echter al sinds begin 19de eeuw verdwenen zijn. Alleen de zijgevels zijn nog authentiek, de overige delen zijn recenter (heropgebouwd, waarschijnlijk na een brand).

Het gaat hier om een bakstenen éénlaags boerenhuis onder een zadeldak, bekroond met een open klokkentorentje (om personeel op het land aan tafel te roepen, cfr. 'angelus').

Het is een rechthoekig gebouw (ongeveer 21 x 7,50 m) zonder uitbouw, vroeger waarschijnlijk in vakwerkbouw. Let op de fraaie vensterindeling! De zijgevels bevatten muurvlechtingen en een zoldervenster, afgedekt met een bakstenen waterlijst. De achtergevel telt twee venstertjes van voutekamerljes (kamer boven een ondiepe kelder). Er waren twee kelders.

In Nieuwenhove bestond er geen 'ijskelder', maar er was ook een kelder in het nabijgelegen kasteel. Het gebouw is globaal gezien in een redelijke staat, maar de muren lijden aan opstijgend grondvocht, een fenomeen dat eigen is aan metselwerk van vóór de Eerste Wereldoorlog.

De duiventoren en het ovenbuur

duiventoren

Deze duiventoren is de enige nog bestaande in Groot-Waregem. Het is een constructie in donkerrode bakstenen, oorspronkelijk met twee verdiepingen voor twee soorten duiven (sier- en vleesduiven), vermoedelijk einde 17de, begin 18de eeuw.

In het Landboek van Waregem (1758) staat de duiventoren 'midden' op het erf getekend. Het bakhuis of ovenbuur staat apart in de zuid­westelijke hoek van het erf. Het duivenrecht was een "heerlijk recht", symbool van macht en rijkdom (graan is duur) van de heer.

Omstreeks 1900 zouden aan de duiventoren grootscheepse verbouwingswerken zijn uitgevoerd, dit o.l.v. de toenmalige Waregemse pastoor Evarist De Coninck, die de duiventoren wilde inrichten als een soort 'rookkamer', een plekje om rustig een pijpje te roken. De duiventoren is bekroond met twee trapgevels van tweemaal zes treden met arduinen kraagstenen. De toren werd gerestaureerd in 1976.

ovenbuur

Het ovenbuur (of ovenbeur), een gebouwtje in donkere paarsrode bakstenen, leunt aan bij de duiventoren. Dit is zeldzaam, want wegens het brandgevaar stonden ovenburen altijd apart (het oorspronkelijke ovenbuur stond tussen de duiventoren en de schuur). Dit gebouw is niet authentiek, maar gaat terug tot omstreeks de eeuwwisseling.

Brood bakken was een "heerlijk recht": iedereen moest met zijn graan brood komen bakken in het ovenbuur van de heer. De oven werd volgepropt met takken die in brand gestoken werden tot de vloer rookte. Daarna werd het brooddeeg op de ovenvloer geschoven.

De schuur

Het Landboek van Waregem geeft deze schuur nog niet weer. Het gebouw moet kort na 1758 gebouwd zijn, samen met de tweede fase van de stallingen (zie verder). De schuur en de stallingen vormden één geheel: een L-vormig gebouw op de noordelijke hoek van het erf.

Oorspronkelijk moet dit een vakwerkbouw geweest zijn, met een onderbouw van baksteenmetselwerk tot op ongeveer 80 cm hoogte.

De muurdichtingen bestonden uit vlechtwerk met leembestrijking, waarvan nog enkele resten binnen het gebouw (het wagenhuis) en op de noord-oostkant bewaard gebleven zijn. Het merendeel van de originele muurdichtingen is momenteel met halfsteenmetselwerk ingevuld.

De stenen topgevel op de zuidgevel is niet origineel. Hij dateert, blijkens en ingemetselde datumsteen, uit 1883. De onderbouw van de oorspronkelijke vakwerkmuur is nog zichtbaar. Er is een duidelijk onderscheid in kleur en formaat van de gevelsteen uit de 18de en de 19de eeuw. De diverse baksteenformaten wijzen erop dat het om geleidelijke verbouwingen ging.

De schuur werd ook vaak gebruikt als werkplaats. Enkele werklui hebben hun naam in de eikenhouden stijlen (rechts van de inkomdeur) gekrast: Petrus Bekke, Ivo Van Doorn (1821) en Johannes Maes (1841).


grondplan van de vakwerkschuur zoals die er vermoedelijk uitzag bij de nieuwbouw: 1. grote schuurvloer, 2. kleine schuurvloer, 3. tasruimte, 4. wagenhuis, 5. stalletjes (nu verdwenen), 6. koestal

De schuur heeft 6 gewone gebinten en 1 krukgebinte (gebinte zonder moerbalk), uit zeer goed bewaard gebleven eikenhout. Het pannendak is pas aangebracht in 1938 ter vervanging van het strodak.


De tekening links toont gebinte nr. 2, Het 'speitmuurtje' (1) is inmiddels verdwenen en de trekbalk (2) werd weggezaagd (thans opnieuw vervangen) om de dorsmachine in de schuur binnen te krijgen. Op de tekening rechts zien we gebinte nr. 7 boven het wagenhuis. Hier en bij de gebinten 6 en 5 ligt de trekbalk (1) ongeveer 90 cm lager dan bij de andere gebinten. De gebintepoten (2) zijn op hun onderzijde gekromd om toch een degelijke constructie te kunnen maken. Oorspronkelijk was dit wagenhuis afgedekt met een dilte (3) waarboven een hooi- of strozolder zat.

Het gebouw had op beide zijden ozingen (dialect: euzies) of dakoversteken van ongeveer 75 cm om het vakwerk te beschermen tegen inslaande regen. De sporen daarvan zijn in de vakwerkbouw nog goed te merken en ook de inbouwopeningen van de steunstukken zijn nog te zien. Aan de beide grote schuurpoorten op de westkant waren de euzies korter om het binnenrijden van volgeladen wagens niet te hinderen.

De zone aansluitend bij de stallingen is één grote open ruimte (de tasruimte). Naast deze tasruimte bevindt zich een 'grote' schuurdoorgang (3m70 breed) met poortvleugels op beide langsgevels. De westingang was 3m80 hoog (volgeladen wagen), de oostuitgang 2m40 hoog (lege wagen). In de poort is een 'klinket' of toegangsdeur voor personen geïntegreerd. Ook deze ruimte is open tot in het dak. Deze schuurdoorgang was vroeger, vóór het machinaal dorsen, ook de traditionele dorsvloer waar met de vlegel gedorst werd.

Er waren aan beide zijden van de dorsvloeren houten speif- of weegmuurtjes om het wegspatten (in het dialect: 'wegspeiten') van het graan tijdens het vlegeldorsen tegen te gaan. Twee ervan werden afgebroken in de 19de eeuw bij de bouw van een aardappelkelder, de derde (meest noordelijke) in 1925-30.

In het vak naast de dorsvloer of schuurdoorgang bevond zich de aardappelkelder (5m70 brede tasruimte). Deze is inmiddels verdwenen. Hij werd afgebroken omwille van de bouwvalligheid. Hiernaast bevindt zich een 'kleine' (3m20 breed) schuurdoorgang, waarvan de poortopeningen niet tot aan de steenplaat reiken (naar binnen draaiende poorten). Deze schuurdoorgang is open tot in het dak en was ook hier terzelfder tijd dorsvloer.

De drie volgende ruimten zijn op het gelijkvloers ingericht als wagenhuis en alaamkot. Het 1ste compartiment bestond uit vakwerk en was bestemd voor het bergen van klein landbouwmateriaal. Het 2de en 3de companiment waren waarschijnlijk zowel aan de west- als de oostkant open. Misschien kon dit wagenhuis door zakken of schutsel van stro, riet of biezen, beschermd worden tegen slecht weer.In deze zone zijn restanten van vlechtwerk en leembepleistering bewaard gebleven. Boven de drie ruimten bevindt zich een ruime strozolder.


Bovenaan zien we de oostgevel (achterkant) van de vakwerkschuur. Onderaan de westgevel met een langse doorsnede op de dakconstructie. De gestipte delen zijn de met leem bestreken vlechtwerkvullingen van de vakwerken. De onderbouw (horizontaal gestreept) is in metselwerk. Het merendeel van het vakwerk is nu door halfsteensmelselwerk vervangen. De zuidgevel (in 1883 opgericht in metselwerk) is aangeduid met stippellijntjes.

De oostelijke gevel van de schuur

Van het oorspronkelijk vlecht- en plakwerk van de muren is alleen aan de oostgevel van de schuur nog iets te zien. De rest (regenkanten) van het vakwerk werd vervangen door halfsteens baksteenmetselwerk. Het vlechtwerk bestond uit wilgentwijgen, leem vermengd met (gehakt) stro, koe- of paardenhaar en paardenpoep ertussen.

Het vakwerk bestond uit een eikenhouten skelet of geraamte met gevels samengesteld uit een groot aantal verticale pijlers (posten of stijlen) met ertussen leem of baksteenmetselwerk (zieook binnenin het wagenhuis).

Duidelijk te zien zijn de stenen, duurzame console waarop de houten staande balken en liggers rusten en de nummering van de balken (cfr. prefabsysteem van nu) met verticale Latijnse cijfers met daaronder schuine strepen (richtingsinstructies (links/rechts) voor bouwvakkers).

De stallingen

De stallingen en de schuur vormen één L-vormig gebouw dat zich op de noordelijke hoek van het erf bevindt. Het jaar van het Waregems Landboek (1758) moet ongeveer de periode geweest zijn waarin de stallingen gebouwd werden. Voordien moet de eerste fase (de koestallen) reeds afgewerkt geweest zijn. Kort daarna moet het zuid-westelijk gedeelte, samen met de schuur, opgetrokken zijn.

De beide bouwfazen zijn af te lezen in het gevelmetselwerk (voor- en achtergevel) van de stalling. De dakbedekking bestaat uit Boomse pannen, maar vermoedelijk zal een strodak wel de originele bedekking geweest zijn.

De gemetselde topgevel (op het zuid-westen, naar het woonhuis gericht) had oorspronkelijk een groot raam dat later dichtgemetseld werd. Daarbij werd een ronde opening uitgespaard, vermoedelijk een verluchtingsopening, in onze streek gekend als "uilengat". De bedoeling was de hooizolder boven de stalruimte te verluchten. Ondertussen is dit voormalig uilegat ook dichtgemetseld.Op de zuidwestkant bevindt zich een ruimte die later als berging gebruikt werd. Oorspronkelijk bestonden hier een drietal kleinere stallen: varkensstallen, veulenstal, enz.

Rechts daarvan bevindt zich de paardenstal, met een afzonderlijke ruimte voor de boever (paardenmenner). Het verblijf van de boever bestaat uit vakwerkbouw. Er was ruimte voor 6 paarden, te oordelen aan sporen in de muren die de slieten aanduiden. Deze stalruimte heeft een deur langs beide gevels. Een dakkapel boven de staldeur langs de kant van het neerhof biedt toegang tot de hooizolder.

Rechts van de paardenstal bevinden zich de koeienstallen. Een eerste koeienstal is voorzien van een zoldering in dunne boomstammen of dikke takken, in de streek bekend als "dilte" of "diltepersen".

Op deze dilte werd het hooi bewaard. Ook deze stal heeft een deur op beide langsgevels. Rechts ervan bevindt zich nog een koeienstal. Hier bestaat de zoldering uit gemetselde tongewelfjes uit de 19de eeuw. De stal heeft eveneens een deur op beide langsgevels. Rechts daarvan bevindt zich een volgende koeienstal. Ook hier bestaat het plafond uit gemetselde tongewelfjes (19de-eeuws). Een later aangebrachte deur geeft toegang tot de aanpalende schuur. Een dakkapel boven de deur van deze stal geeft aan de kant van het erf toegang naar de hooizolder.

Op de noordwestzijde, buiten achter de stallingen, bevinden zich ruime beerputten. Ze bestaan uit overwelfde gemetselde kelders. De gewelven zijn grotendeels ingestort.

legende bij het grondplan

  1. wandelpad omheen de site Nieuwenhove
  2. omwalling (te herstellen in originele toestand)
  3. kasteelruïne (grondvesten op te graven als archeologische site)
  4. nieuwe bedieningsweg (reeds aangelegd)
  5. toegangsweg van poortgebouw naar kasteel (aan te leggen)
  6. hofplaats (neerhof)
  7. vroegere boomgaard met hoogstammige fruitbomen (her aan te leggen)
  8. vroegere moestuin/kruidentuin
  9. weide
  10. speelweide
  11. woonhuis
  12. poortgebouw met brug
  13. stallingen (cafetaria, klaslokaal, stal)
  14. loods
  15. vakwerkschuur en wagenhuis
  16. duiventoren
  17. bakhuis of ovenbuur (oorspronkelijke plaats)