de Gavergids 1993 nr. 3

BEZIENSWAARDIGHEDEN

De Sint-Elooikerk van Sint-Eloois-Vijve

Het romaanse kerkje van Sint-Eloois-Vijve is de tweelingbroer van de kerk van Sint-Baafs-Vijve, aan de overkant van de Leie. Beiden zijn beschermd in 1937.

Anne-Marie VLAEMINCK

Al in 1119 was Sint-Eloois-Vijve een parochie. In 1171 wees bisschop Walter van Doornik het altaar van Sint-Eloois Vijve toe aan het kapittel van Doornik.

Het oorspronkelijke kerkje werd in het begin van de 13de eeuw vervangen door een vroeggotisch eenbeukig zaalkerkje van 12,90 op 7,80 meter, opgetrokken in Doornikse en grijsgroene veldsteen, en met een smal oostkoor van 4,40 meter breed. Omstreeks 1500 werd het eenbeukige zaalkerkje grondig gewijzigd. Op de plaats van het vroegere koor kwam de toren met zijn uit Aalsterse kalkzandsteen achtzijdige bovenbouw. Het nieuwe koor werd nog meer naar het oosten opgeschoven. Gelijktijdig of kort nadien werd het eenbeukige kerkje aan de noordoostelijke kant gedeeltelijk omgebouwd tot een tweebeukig kerkje.

Na de brand van 1533 werkte men tot 1560 vooraleer het koor volledig gerestaureerd was. In 1580 werd de kerk echter opnieuw zwaar vernield door de Gentse Calvinisten. De restauratie was financieel een zware dobber voor het kapittel, de gelovigen en de dorpsheer Plotho. Hierdoor kon het koor pas in 1617 gevloerd worden en bleef kerkmeubilair uit tot 1625-1628.

Het kerkje had veel te lijden van de oorlogen van Lodewijk XIV onder meer in 1645, maar vooral bij de ramp van 19 september 1710, toen het buskruit aan boord van 37 geallieerde schepen, aangemeerd op de Leie in Vijve, per ongeluk (?) ontplofte.

In 1703 leed de kerk opnieuw zware schade door een verschrikkelijk onweer. Een jaar later was het nog niet mogelijk te "connen sitten in het drooghe soo wanneer het komt te regenen ofte sneeuwen". Tussen 1 oktober 1779 en Pinksteren 1802 werd de eredienst verboden, omdat pastoor B. Van der Schueren, net zoals zijn Waregemse collega, geweigerd had de eed van trouw af te leggen aan de 'goddeloze' Franse bezetter.


de Sint-Elooikerk rond 1900, toen het kerkhof nog rond de kerk lag

Van 1808 tot 1839 werd het Vijfse kerkje een "annexe" van Sint-Baafs Vijve en degradeerde de pastoor tot kapelaan. In 1827 werd op initiatief van pastoor Delvael de noorderbeuk 9 meter uitgelengd. In 1846 moest de zuidwestelijke pijler van de toren extra worden versterkt. De zware pilaar vooraan ontneemt nog altijd een groot deel van de misgangers het zicht op het altaar.

In 1900, onder pastoor Benoit Bernolet en burgemeester Paul Boulez werd een derde zuidelijke beuk, naar het model van de noordelijke, gebouwd. Ook het portaal en doksaal bekwamen toen hun huidige vorm. De westgevel werd met Doornikse steen hersteld en alle muren herspezen. De vloer werd volledig vernieuwd en in de zijbeuken werden kroonlijsten van Noors rood dennehout aan-gebracht. Het dak werd met Engelse schaliën herdekt en binnenin werden de gewelven met Russisch eikehout bekleed. In 1938 werd door toedoen van baron de Bethune de toren geklasseerd.

De beschietingen in oktober 1918, tijdens het geallieerde offensief, hadden wat schade toegebracht aan toren en daken, maar de tol van de tweede wereldoorlog was zwaarder. Tijdens de Leieslag van 23-26 mei 1940 werd de toren getroffen door 8 obussen. De daken en ingangspoort waren erg geteisterd. Pas bij de vijftigste verjaardag van de bescherming als monument, in 1988, kon de kerk volledig gerestaureerd worden.


luchtfoto van het centrum van Sint-Eloois-Vijve in de jaren '50

Bron

11de jaarboek van De Gaverstreke, 1983.